Howard Carter – Toetanchamon – Lord Carnarvon

Howard Carter werd op 9 mei 1874 geboren in Londen als jongste van elf kinderen. Een groot deel van zijn jeugd bracht hij door in Norfolk. Howard Carter was, vanaf zeer jonge leeftijd, gefascineerd door de Egyptologie. Hij werkte als tekenaar en werd medewerker van Perry Newbury in het Egyptisch Museum van Cairo. Hij leerde het vak in de praktijk, met name als assistent van drie archeologen uit de late 19de eeuw, Flinders, Petrie en Edouard Naville, en bekwaamde zich in de ontcijfering van de hiërogliefen. Carter werd in 1899 door Maspéro aangesteld als directeur van de monumenten van Opper-Egypte. Vier jaar later werd Carter verantwoordelijk geacht voor een conflict rond de opgravingen in Saqqara en werd, omdat hij weigerde zijn excuses aan te bieden, op staande voet ontslagen. Carters loopbaan als archeoloog leek ten einde maar toen Lord Carnarvon in 1906 bij Maspéro informeerde naar een goede archeoloog, noemde deze zijn naam. In dat jaar ondernam Carter de eerste serie onderzoeken voor zijn nieuwe beschermheer.

Toen hij in 1922 hoorde dat de Amerikaanse archeoloog Theodore Davis de concessie die hij sinds 1902 voor het Dal der Koningen bezat niet wilde verlengen, drong hij erop aan dat zijn sponsor de vergunning zou overnemen. Carter had al jarenlang alle beschikbare informatie bestudeerd over deze belangrijke vindplaats, waar tussen ca. 1600 en 1100 v. Chr. de beroemdste farao’s van het Nieuwe Rijk met veel pracht en praal waren bijgezet. Hij vermoedde dat het dal aan de voet van de Berg van het Westen, achter de grote graftempels en tegenover Karnak, nog niet al zijn schatten had prijsgegeven.

Carter had alle werkzaamheden geïnventariseerd die sinds de 18de eeuw aan de in de rotsen uitgehouwen koningsgraven waren verricht. Hij wist waar de pioniers van de archeologie, de Italiaan Belzoni en de Duitser Lepsius, hadden gegraven. Hij had alle publicaties van tientallen opgravingen nageplozen. Hij had zich verdiept in de activiteiten van lokale bewoners.

Carter had heel nauwgezet lijsten van farao’s uitgewerkt. Hij had de graven waar zij lagen in kaart gebracht en een overzicht gemaakt van de ontdekkingen en opgravingen en de schaarse voorwerpen die teruggevonden waren. Hij wist alles over de archeologische onderzoekingen en hun resultaten. Hij wist ook dat zijn voorganger, de Amerikaan Davis, in het Dal der Koningen niet alleen het graf van Joeja en Toeja had ontdekt dat meubelen van Amenhotep III bevatte, maar ook een geheime bergplaats had gevonden met vaatwerk en een kistje met de naam van Toetanchamon. En vervolgens had zijn collega Herbert Winloek in 1908 aangetoond dat die voorwerpen gebruikt moesten zijn bij een balseming van een jonge farao. Voor Carter is er geen twijfel mogelijk: er moest nog een koningsgraf te vinden zijn, dat van Toetanchamon, misschien intact of misschien al in de oudheid geplunderd. Maar zolang dat graf niet was teruggevonden, bleef in het Dal der Koningen de kans op een uiterst belangrijke vondst bestaan.

In de herfst 1917, begonnen ze te zoeken naar het graf, maar omdat het dure speurwerk geen resultaat opleverde, gaf Lord Carnarvon het op. Maar Carter ging door. Op 4 november 1922 ontdekte Carter het graf onder het graf van Ramses VI, de trap welke leidde naar een van de meest fantastische archeologische ontdekkingen ooit. Toen hij 10 treden had uitgegraven werd een zware stenen deur zichtbaar. Op het slot, dat was gesloten met klei van de Nijl, zag Carter het zegel van de autoriteiten van uit de 18e dynastie (van 1540 tot 1295 v. Chr.). Dit was een sensatie. Een verzegeld rotsgraf was nog niet gevonden in de Vallei der Koningen tot nu dan. Carter zette alles terug, omdat hij dacht dat zijn beste vriend, met wie hij hoop en teleurstellingen had gedeeld in al die jaren en die een fortuin gespendeerd had in deze onderneming, aanwezig moest zin bij deze ontdekking.

Dus Carter telegrafeerde Lord Carnarvon die in Londen verbleef. Hij kon pas 3 weken later komen. Op 24 november werden de treden blootgelegd. In totaal 16 treden. Zij ontdekten 2 andere zegels met het teken van Toetanchamon. Op dat moment wisten ze zeker, dat zij het echte graf van Toetanchamon hadden gevonden. De dag erna werd het slot geopend. Nu moesten ze het afval nog uit de gang ruimen. Daarna stootten ze op nog een deur. Deze was ook verzegeld. Op 26 december hakten ze door de stevige muur met de ijzeren staaf. Een bedwelmende vlaag van warme lucht die 3000 jaar opgesloten was kwam hen tegemoet. Carter stak een kaars aan met trillende handen om te zien of er geen giftige gassen vrijkwamen. Dan maakt hij de opening een beetje groter en stak zijn lantaarn er door. Hij kon op dat moment niets onderscheiden. Hij werd verblind door het felle licht. Een heleboel verschillende objecten werden zichtbaar. Carter was compleet verrast. Gouden stoelen, sofa’s, vazen, sculpturen van alle soorten materiaal. Het glinsterde allemaal. Het goud had niets van zijn glans verloren. Er was een complete stilte in de gang. Tenslotte vroeg Lord Carnarvon, zie je iets? Carter antwoordde, ja zeer mooie dingen! Een sterke geur van zalven, oliën en kostbaar hout overmande hem. Zij hadden niet alleen het graf van Toetanchamon gevonden maar bovendien een van de best bewaarde graven ooit. Welke verassingen zouden ze nog vinden. Dit was enkel nog maar de voorkamer.

Het nieuws over de grote gouden schat was vlug verspreid. De ingang van het graf werd bekeken door veel bezoekers, toen Carter officieel de gang naar de voorkamer opende. Tot dan hadden zij ongestoord kunnen werken, maar nu was het zover. De hele wereld leefde met hen mee. Wat er gevonden werd, was overweldigend. Het uitputtende werk, om alles te catalogiseren en te bewaren nam 3 maanden in beslag. Ondertussen was het 17 februari 1923. Toen kwam het moment dat de muur tussen de voorkamer en de grafkamer afgebroken werd. Toetanchamon’s grafkamer werd zichtbaar. In deze ruimte, met een lengte van 6 meter 50 en een breedte van 4 meter, stond 1 monument, de gouden schrijn. Dit is het grootste vergulde oppervlakte dat ik ooit gezien heb riep Carter. In geen enkel graf was er iets gevonden zoals dit. Nu konden ze de aangrenzende schatkamer binnengaan. Een beeld van de god Anubis, met het hoofd van een jakhals, waakte over de ingang. Ze vonden een klein altaar en de canopen, waarin de verschillende organen zaten van de jonge koning. Deze werden verwijderd toen hij werd gemummificeerd. Er werden ook 2 gemummificeerde foetussen gevonden. Er wordt verondersteld dat dit zijn kinderen waren. De volgende opdracht was alles fotograferen en alle objecten inpakken om ze naar het museum in Caïro te brengen. Toen ze daar mee bezig waren kreeg Lord Carnarvon hoge koorts. De dokters stelden vast dat hij een bloedvergiftiging had. Hij was geprikt door een mug in de Vallei der Koningen. Zijn toestand verslechterde en hij stierf op 6 april 1923. Zijn tragisch lot werd een legende, De vloek van de Farao, zo luid het verhaal. De dood van zijn vriend beroerde Carter diep, maar hij werkte onophoudelijk voort. In oktober 1923 keerde hij terug naar de vallei.

De grafkamer bevatte 4 vergulde schrijnen die in elkaar pasten. De binnenste bedekte een stenen sarcofaag. Nu wachtte hem een zware taak. Hij moest de zware steen verwijderen. In een diepe stilte werd de enorme, in twee stukken gebroken steen, opgetild. Het licht scheen op de sarcofaag. De inhoud was geheel bedekt met doeken van zeer fijn linnen. Ze namen een voor een de doeken weg. De gehele ruimte was gevuld met een gouden beeld van de jonge koning, gemaakt met onvoorstelbaar vakmanschap. Dit was het deksel van een zeer mooie doodskist. Twee gevleugelde godinnen omklemden het grootste deel van dit fantastisch monument. Het hoofd en de handen van de Koning waren gemaakt uit puur goud en gevormd met een uiterste perfectie. De handen die gekruist waren over zijn borst, droegen de Koninklijke tekens van waardigheid, de scepter en de zweep, ingelegd met diep blauw aardewerk. Het gezicht en de gelaatstrekken waren gemaakt van bladgoud, de wenkbrauwen en oogleden ingelegd met lapiz-bazuli glas. Twee waardigheidstekens waren op het voorhoofd van de jonge farao te zien, de cobra en de gier, maar misschien het meest ontroerende was de simpele bloemenkrans. Men kon zich inbeelden dat dit het laatste afscheidsgeschenk was van zijn jonge weduwe. Voor hen lag wat er overgebleven was van een schaduw van zijn naam. Rond het einde van 1930 was Carters taak volbracht. Het graf was leeg, behalve de sarcofaag en de mummie van de Koning. Toetanchamon die beroofd is van zijn schatten, rust in zijn graf dat geplunderd werd door de moderne mens.