Farao’s, het verhaal

De Egyptische koning (farao), afgeleid van per-aä, “het Grote Huis”, (het paleis) was in hoofdzaak een ritueel figuur. Hij werd beschouwd als goddelijk. In de oudste tijd was hij de “Gouden Horus”, de incarnatie van de valk-zonnegod Horus op aarde. Later gold hij tegelijk als de lijfelijke zoon van de oppergod (de zonnegod Re vanaf de 5de dynastie, Amon-Re in het Nieuwe Rijk) en als de incarnatie van de god Horus, de zoon van de god van het Dodenrijk, Osiris. De farao was de “levende Horus”, na zijn dood werd hij Osiris, dus heerser over het Dodenrijk.

Het sprak vanzelf dat hij over bijzondere krachten beschikte en het gevaarlijk was om hem aan te raken, hij was als het ware magisch elektrisch geladen. Toch was hij geen echte god. Aanbidding van de farao was uiterst ongebruikelijk en kwam zelden voor. Men heeft hem wel vergeleken met de typisch Afrikaanse koning en regenmaker. Inderdaad meende men dat het bestaan van de wereldorde en de welvaart van het land van zijn fysieke kracht afhankelijk waren. Hij stond borg voor de jaarlijkse overstroming van de Nijl, het onder de duim houden van de machten van de duisternis en de chaos, het verslaan van de vijanden van Egypte. Vandaar dat hij bij zijn troonsbestijging een fysieke krachtproef (een hardloopprestatie) moest verrichten om te bewijzen dat hij gezond was. Dit werd periodiek herhaald (sed-feest), later werd het een formaliteit. Misschien werd in de prehistorie een oude en verzwakte vorst gedood.

Het Schrift

De overgang van prehistorie naar historie wordt gemarkeerd door de verschijning van geschreven teksten. Het Egyptische hiërogliefenschrift bestaat uit drie soorten tekens: ideogrammen, syllabische tekens (met verwaarlozing van de klinkers) en éénlettertekens. Een zelfde schriftteken kan meerdere waarden hebben. Gewoonlijk werd een woord geschreven met een combinatie van deze schrifttekens, bijv. éénletterteken + ideogram; één letterteken + syllabisch teken + ideogram; syllabisch teken + een van de medeklinkers herhaald d. m.v. éénletterteken + ideogram; alleen ideogram. Elk woord werd op min of meer dezelfde wijze geschreven woorden die uit dezelfde medeklinkers in dezelfde volgorde bestaan, zijn zo van elkaar te onderscheiden. Vocalen werden, afgezien van een paar half-vocalen, niet geschreven. De cursieve vorm van het hiërogliefenschrift is het hiëratisch, waaruit zich na het Nieuwe Rijk het demotisch (tevens een taalfase) ontwikkelde. Een op het Griekse schrift gebaseerd alfabetisch schrift heet, evenals de bijbehorende taalfase, Koptisch.

Kalender

De Egyptische kalender telde 365 dagen per jaar. 12 maanden van 30 dagen, verdeeld over 3 seizoenen van elk 4 maanden (het seizoen van de overstroming, dat van het droogvallen van het land en het opkomen van het gewas, en dat van de droogte), gevolgd door 5 schrikkeldagen.

De nieuwjaarsdag van een jaar werd op een gegeven moment vastgesteld op de dag, waarop de overstroming begon, tevens de dag, waarop de Hondsster, Sirius of Sothis, weer boven de horizon zichtbaar werden. Maar het Egyptische kalenderjaar liep met zijn 365 dagen 1/4 dag vóór op het astronomische jaar, zodat in de regel de “officiële” nieuwjaarsdag niet samenviel met het opnieuw zichtbaar worden van Sothis. Eenmaal in de 1460 jaar (4 x 365: een Sothisperiode) was dat wel het geval. Gegevens over de kalenderdag, waarop Sirius zichtbaar werd, geven ons mogelijkheden om de Egyptische chronologie in onze jaartelling om te rekenen.

Onze kalender is in wezen een Egyptische kalender, die op initiatief van Julius Caesar in een verbeterde versie in 46 v. Chr. in Rome is ingevoerd. Omdat er onder Paus Gregorius XIII in 1582 nog een kleine correctie is aangebracht, spreken we van de Gregoriaanse tijdrekening.

Prehistorie

De oudste prehistorische vondsten in Egypte dateren uit het paleolithicum. De overgang naar het neolithicum voltrok zich vanaf ca. 5000. Een van de oudste bekende neolithische nederzettingen is gevonden in Neder-Egypte, bij Merimde Benisalame (eenvoudige graangewassen, opslagruimte voor graan, eenvoudige rieten hutten, bezetting van de doden in de nederzettingen). De waarschijnlijk wat jongere neolithische cultuur van Opper-Egypte, naar de eerste vindplaats Badari-cultuur genoemd, is van meer plaatsen bekend. De Badari-cultuur is nauw verwant met de culturen in Nubië, het gebied dat in het zuiden aan Egypte grenst, terwijl de Delta altijd bijzonder nauwe banden met het aangrenzende Libische gebied heeft gehad.

De daarop volgende Negade-culturen (Negade I of Amratien vanaf ca. 3700) zijn over heel Egypte verspreid en vertonen nieuwe elementen. Er wordt gedacht aan Aziatische invloeden, die over de Rode Zee in Egypte gekomen zouden zijn. De overgang tot Negade II of Gerzéen (ca. 3300) schijnt een nieuwe stimulans bewerkstelligd te hebben. Deze fase wordt gekenmerkt door een meer stedelijk karakter van de nederzettingen, gepaard aan een verplaatsing van de bevolking naar het eigenlijke Nijldal, wat mogelijk werd gemaakt door een droger worden van het klimaat. In deze tijd is men wellicht ook begonnen met irrigatielandbouw.

De elementen van de Egyptische cultuur hebben allen hun oorsprong in de prehistorie godsdienst bezetting van de dode met grafgeschenken omwikkeling en oriëntatie van de dode aparte grafvelden bezetting in een grafkuil of onder een heuveltje kleinkunst aardewerk. De economie was agrarisch. Aanwijzingen voor een nomadische samenleving ontbreken.

Vroegdynastische tijd (ca. 2900-2650)

Volgens de literaire overlevering is de eenwording tot stand gekomen doordat een koning Menes vanuit het zuiden het noorden veroverde. Het laatste staat vast, maar op grond van een zogenaamd overwinningspalet uit de tijd zelf is het waarschijnlijker dat de eerste vorst Narmer heette, terwijl een van zijn voorgangers vermoedelijk ook al een tijdelijke vereniging van het land onder één hoofd had bewerkstelligd. De eerste twee dynastieën regeerden vanuit de stad Thinis. Altijd is het idee gehandhaafd dat Egypte (het zwarte, d.w.z. het vruchtbare land, tegenover het rode land, de omringende woestijn) uit twee gelijkwaardige delen bestond: Opper en Neder Egypte. De farao was “Heer van de Beide Landen”, hij droeg de kronen van Opper en Neder-Egypte gecombineerd, de administratie was en bleef dubbel (behalve in de schatkist), de koning had een graf in Opper en een in Neder-Egypte.

Dat er echter ten tijde van de 2de dynastie nog spanningen bestonden tussen beide landsdelen, blijkt uit het optreden van een koning, die de god Seth (de oude rijksgod van Opper-Egypte), later de god van de chaos, zo men wil van “het kwaad”, en de grote tegenstander van Horus, in de plaats van Horus stelde. Hoewel de vereniging van het land vanuit het zuiden tot stand werd gebracht, schijnt de heersende bevolkingsgroep oorspronkelijk uit het noorden afkomstig geweest te zijn

Oude Rijk (ca. 2650-2160)

Het architectonische product bij uitstek van het Oude Rijk is de koningspiramide. De piramide kan ook als het symbool van de sociale organisatie van Egypte in deze tijd beschouwd worden. Het land werd nauwkeurig geadministreerd door een hiërarchische bureaucratie, die ook de opbrengsten inzamelde en verdeelde. Aan de top hiervan stonden het paleis en de farao, bijgestaan door prinsen. De boeren waren onderworpen. Waar hij dat wenselijk achtte, kon de farao over hun arbeid beschikken.

Hét Oude Rijk begon met koning Djoser, de eerste vorst van de 3de dynastie en de bouwer van de nieuwe hoofdstad Memphis Zijn legendarische bouwmeester Imhotep (later als goddelijk genezer vereerd) ontwierp de trappenpiramide van Sakkara. Onder en later in de piramide bevond zich het graf van de koning. Bij de piramide behoorde een uitgebreid complex evenals een graftempel aan de Nijl. Zolang het centrale gezag onaangetast was, werden de aanzienlijken rond de koningspiramide begraven.

De “eeuw van de grote piramidebouwers” was de tijd van de 4de dynastie (ca. 2600-2460) van de koningen Cheops, Chafre of Chefren en Menkaure of Mycerinus.

De organisatie en de mobilisatie van mankracht, die nodig waren om deze bouwwerken uit te voeren, waren enorm en getuigen van de alles beheersende greep van het centrale bestuur op het land. In dezelfde tijd ondernamen de farao’s verovering en plundertochten naar Palestina en Nubië en onderhielden zij vreedzame contacten met Fenicië.

In de 5de dynastie is de plaats, die de zonnegod Re van Heliopolis heeft ingenomen, opmerkelijk. De koning gold nu als “de lijfelijke zoon van Re” en niet meer de koningspiramiden, maar de open zonnetempels van Heliopolis waren de grootste bouwwerken. In de tijd van de 6de dynastie blijkt de macht van de koning en van de centrale administratie danig getaand. Officieel was alle land nog altijd eigendom van de koning, maar in de praktijk was het vruchtgebruik van veel land afgestaan aan hoge ambtenaren voor de verzorging van hun dodencultus.

Bezit van ambt en land werd erfelijk, er ontstond een lokale, geprivilegieerde en grootgrondbezittende adel van gouwvorsten. Zij hadden de werkelijke macht, de bureaucratie was niet meer dan een titulatuur geworden. Het falen van de centrale administratie bleek al op het eind van de 5de dynastie bij een hongersnood onder koning Oenas. Bestond in het begin van het Oude Rijk en onder de 4de dynastie de top van de bureaucratie uit verwanten van de farao, nu waren dat de lokale groten geworden.

Eerste tussentijd (ca. 2160-2040)

Direct na het einde van de 6de dynastie vond er een totale desintegratie plaats.

Waren er revoluties en omwentelingen? Grepen in het meer verstedelijkte Neder-Egypte “burgers” de macht in de steden, en vormden zij “bestuursraden”. Zeker is dat de toestand enige tijd chaotisch was. Tenslotte breidden in Midden-Egypte twee concurrerende dynastieën hun macht weer uit.

Middenrijk (ca. 2040-1780)

Het herstel van de eenheid werd tot stand gebracht door de heerser van Thebe, Mentoehotep I (ca. 2060-2010). De koningen van de 12de dynastie heetten afwisselend Amenemhat (I-IV) en Sesostris (I-III). Co-regering van de farao en zijn opvolger moest troontwisten onmogelijk maken. Al spoedig werd het regeringscentrum verplaatst naar de meer centraal gelegen Fajoem.

De dynastie bereikte haar hoogtepunt onder Sesostris III (ca. 1880-1840 v.Chr.) en Amenemhat III (ca. 1840-1795 v.Chr.). De laatste werd beroemd door de aanleg van een kunstmatig meer bij de Fajoem (voor de irrigatie) en de bouw van het Labyrint (zijn dodentempel) bij Hawara. In de richting van Palestina werden veroveringstochten ondernomen en het noorden van Nubië werd geannexeerd. Aan de zuidgrens werden grote forten gebouwd tegen opdringende Nubische stammen. Maar binnenslands bleven de lokale groten machtig (feodaliteit). De farao was niet in staat de macht van de gouwvorsten te breken en een groot, centraal geleid ambtelijk apparaat op te bouwen.

Het Middenrijk was de klassieke tijd van de Egyptische taal en literatuur. Vermelding verdienen, het verhaal van Sinoehe, de aanzienlijke, die bij een complot was betrokken, naar het bedoeïenenland vluchtte en later terugkeerde, en het verhaal van de “Welsprekende Boer”, het boertje, dat zich met ongewone welsprekendheid verdedigde tegen machtigen, die hem probeerden te beroven, en corrupte rechters.

Tweede tussentijd (ca. 1780-1560)

In de loop van de regering van de 13de dynastie verbrokkelde het centrale gezag. Bovendien deed een belangrijk nieuw element zijn intrede in Egypte, de Hyksos of “Heersers van de Vreemde Landen”, afkomstig uit voor-Azië. Misschien werden zij voor het eerst binnengehaald als hulptroepen van de elkaar bestrijdende dynastieën. Zij introduceerden het paard en de (strijd)wagen en waren militair superieur. Zij vestigden twee dynastieën (15 en 16) en controleerden vanuit de Delta het grootste deel van het land.

Hoewel de Hyksos later als vreemde overheersers en onderdrukkers werden verketterd, schijnen zij bij het gewone volk beslist niet impopulair te zijn geweest. De gouwvorsten en hun machtigen moesten in elk geval het veld ruimen.

Nieuwe Rijk (ca. 1560-1090)

Tenslotte slaagden de heersers van Thebe (Kamose en zijn broer Ahmose, ca.1560-1540, 17de dynastie) erin de Hyksos te verdrijven. Direct vielen zij de bases van de vreemde heersers in Palestina aan. Hun opvolgers van de 18de dynastie (ca. 1560-1305; de 17de dynastie ging ongemerkt over in de 18de), de koningen Amenhotep I en Thoetmosis 1 en II, breidden hun heerschappij uit tot de Eufraat en tot diep in Nubië.

Na de regering van de koningin Hatsjepsoet (ca. 1490-1470), die de militaire expansies stopzette maar wel een soort handelsexpeditie uitzond naar het land Poent (Somalië), er kwamen wierook, specerijen, mirre, ivoor, apen, slaven enz. vandaan), nam Thoetmosis III (ca. 1490-1435), tijdens de regering van Hatsjepsoet een onbetekenende co-regent, de herovering van Voor-Azië tot de Eufraat krachtig ter hand. Na hem hielden Amenhotep II en Thoetmosis IV het rijk in stand.

De regering van Amenhotep III wordt gezien als een periode van grote bloei (ca. 1415-1370). Nubië stond geheel onder Egyptisch bestuur, Palestina, Fenicië en Syrië werden geregeerd door tribuutplichtige vazalvorsten en gecontroleerd door Egyptische garnizoenen. Het Nubische goud verhoogde het internationale aanzien van de farao.

Er waren goede betrekkingen met de Kassitische heersers van Babylon en nu ook met de vroegere vijand, het volk van de Mitanni, aan de bovenloop van de Eufraat. In de zogenaamde Amarna brieven is een deel van de diplomatieke correspondentie uit deze tijd teruggevonden. De tempel van de rijksgod Amon-Re in Thebe werd schitterend uitgebreid, hoge inkomsten uit de veroverde gebieden werden aan deze en andere tempels geschonken. Maar de greep van de farao op de elkaar bestrijdende vazalvorsten in Fenicië en Noord-Syrië verslapte. Bovendien werden deze gebieden en dat van de Mitanni ernstig bedreigd door de opkomende macht van de Hettieten.

Amenhotep IV brak met de cultus van Amon, ontnam de priesters en de tempels hun inkomsten en introduceerde een nieuwe rijksgod: de zonneschijf Aton, de leven schenkende god-voor-alle-mensen. Deze cultus was op zichzelf niet nieuw, de interpretatie voor de hele mensheid, met zijn ethische inslag, was wel nieuw. Hij koos ook nieuwe medewerkers (van lagere afkomst), bouwde een nieuwe residentie bij het tegenwoordige El Amarna, die hij Achet-Aton (Horizon van Aton) noemde, en veranderde zijn eigen naam in Achnaton (ca. 1370-1355 v.Chr.). Chaos en corruptie waren het resultaat. Zijn heerschappij eindigde in geweld. Zijn opvolgers, de jonge en onbeduidende Toetanchamon en de meer ervaren Eje, probeerden de oude toestand te herstellen. Dat gelukte echter pas aan het laatste lid van de dynastie, Horemheb, een krachtig regeerder met een lange ervaring in het bestuursapparaat en het leger (ca. 1335-1305 v.Chr.)

In de 19de dynastie (Seti I, (ca. 1302-1290 v.Chr.), Ramses II, (ca. 1290-1225 v.Chr.), Merenptah, (ca. 1225-1215 v.Chr.) werd de residentie verplaatst naar de Delta (Ramses-stad, later Tanis). Het rijk in voor-Azië werd gedeeltelijk heroverd. Na de onbesliste slag tussen Ramses II en de Hettitische koning Muwatallis bij Kadesj bakenden beide machten hun invloedssferen af en leefden zij verder vreedzaam naast elkaar. Interne twisten maakten een einde aan de 19de dynastie.

De laatste grote farao, Ramses III (ca. 1190-1160), wist slechts met grote moeite de invallen van de zogenaamde Zeevolken af te slaan. De benaming Zeevolken was de Egyptische verzamelnaam voor een bonte mengeling van op drift geraakte landverhuizers, die overal in de mediterrane wereld hun sporen hebben achtergelaten. Zij probeerden Egypte binnen te dringen vanuit Libië, Kreta en het gebied van de Egeïsche Zee en waren oorspronkelijk misschien afkomstig uit Centraal-Europa en de Balkan. Hun pressie op Egypte was al, tientallen jaren voor Ramses III merkbaar. De bekendste groep onder hen was die van de Filistijnen. Met Ramses V begon een tijd van burgeroorlogen, totdat Ramses XI de eenheid herstelde, de machtige hogepriester van Amon in Thebe afzette en het begin van een “nieuwe era” aankondigde (ca. 1100). Zijn succes was slechts tijdelijk.

Derde tussentijd (ca. 1090-730)

Omstreeks 1085 was het met de macht van Egypte gedaan. Er regeerde weliswaar een farao in Tanis, maar de hogepriester van Amon in Thebe en het omringende gebied was praktisch onafhankelijk. De eerste hogepriester van deze “godsstaat” was Herihor. Er bestonden echter goede betrekkingen tussen de dynastie in Tanis en de hogepriesterlijke familie in Thebe en er werden nauwe familiebanden aangeknoopt (21ste dynastie). Tenslotte kwam de macht in handen van afstammelingen van commandanten van Libische huurlingentroepen (dynastie 22 en 23, centrum in Boebastis. De eerste van hen, Sjosjenk I, wist zijn gezag aan het hele land op te leggen en deed zelfs een inval in Palestina (verovering van Jeruzalem). Na zijn dood ging de verbrokkeling verder.

Late tijd (ca. 730-332)

De heersers van het geheel ver-Egyptiseerde, maar reeds lang weer onafhankelijke Nubië brachten Egypte weer tot eenheid onder hun gezag. Zij vormden de Ethiopische (25ste) dynastie (ca. 730-655 v.C.). Zij probeerden de oude traditie, met name die van de orthodoxe Amoncultus, te herstellen. De invallen van de Assyriërs (689-663 v.C.) leidden echter spoedig tot de val van de dynastie. In 664 v.C. werd Thebe door de Assyriërs veroverd en geplunderd. Psammetichus I (663-609 v.C.), eerst door de Assyriërs als stadhouder aangesteld en later de leider van het verzet tegen hen, verdreef de Aziaten en bracht opnieuw eenheid in het land met behulp van gehuurde hoplieten (zwaargewapende infanteristen), uit lonië en Carië in Klein-Azië. Hij werd daarmee de grondvester van de naar haar hoofdstad Saïs, in de Delta genoemde Saïtische (26ste) dynastie (ca. 655-525 v.C.). In de bureaucratie probeerde men de titulatuur van het Oude Rijk te herstellen.

Nadat in 612 v.Chr. de macht van de Assyriërs ook in Voor-Azië vernietigd was, probeerde Nechao (609-595 v.C.) hier weer een Egyptisch rijk op te bouwen. Hij strandde echter op de aspiraties van de Babyloniërs, (Neboekadnezar versloeg hem in 605 bij Karkemisj aan de Eufraat). Zijn poging om een kanaal van de Nijl naar de Rode Zee te graven mislukte eveneens en de verhalen van de Fenicische zeevaarders, die op zijn bevel om Afrika gevaren waren, werden niet geloofd. Psammetichus II (595-589 v.C.) ondernam een veldtocht tegen Nubië met o.a. Fenicische en Griekse huurlingen. Apriës (589-570 v.Chr.) bood zonder succes, Juda en Jeruzalem steun tegen de Babylonische koning Neboekadnezar. Een staatsgreep maakte een einde aan zijn bewind, nadat een expeditie tegen de Griekse kolonie Cyrene was mislukt en de uit het volk afkomstige Amasis zich aan het hoofd stelde van de ontevreden Libische en Egyptische troepen (de Griekse huurlingen bleven Apriës trouw). Amasis (570-526 v.Chr.) beperkte enerzijds de groeiende invloed van Griekse kooplui in Egypte, anderzijds gaf hij hun een vaste factorij met faciliteiten in Naucratis . Kort na zijn dood veroverde de Perzische koning Cambyses het land. De Perzische heerschappij (dynastie 27 en 31, resp. 525-404 v.Chr. en 343-332 v.Chr.) is verschillende malen door opstanden onderbroken geweest, o.a. in de jaren 460-454 v.Chr. en in de tijd van de koninkjes van de 28ste, 29ste en 30ste dynastie (404-343 v.Chr.). In 332 v.Chr. werd Egypte veroverd door Alexander de Grote.

Economie (Nieuwe Rijk)

De economie van Egypte was agrarisch. Weliswaar waren er al in de voor en vroeg dynastische tijd, stedelijke concentraties gegroeid rond de centra van bestuur, maar die hadden niet of nauwelijks de economische functies van de “stad” gekregen. Zij werden bijna uitsluitend bewoond door beambten, priesters en een op het omringende land werkzame bevolking. Er was geen markteconomie. Voor het bestaan van een” middenstand” van burgers, kooplui en zelfstandige handwerkslieden zijn geen aanwijzingen. De “steden” waren administratieve centra en uitgebreide tempelcomplexen. Handel was ruilhandel, waarbij om beter te kunnen rekenen, de waarde van de verschillende goederen (voedsel, beesten, stoffen, slaven) werden uitgedrukt in gewichtseenheden (deben) koper. Het meeste van wat men aan levensbehoeften nodig had werd door de administratie ingezameld en gedistribueerd. Schaarste was vooral een gevolg van corruptie, van het niet functioneren van het bestuursapparaat.

Administratie

Door de farao’s van de 18de dynastie was een uitgebreid en uitgebalanceerd ambtelijk apparaat opgebouwd. Tussen het leger en de ambtenarij bestond in principe geen verschil, militaire functies maakten gewoon deel uit van een ambtelijke carrière. Het leger werd ook voor vreedzame doeleinden (bijv. grote bouwwerken) ingezet. Aan het eind van zijn loopbaan wachtte de ambtenaar een priesterschap met de daaraan verbonden inkomsten als pensioen. Maar op den duur hadden deze priesterschappen en daarmee ook de ambtelijke posten sterk de neiging erfelijk te worden. Bovendien werden door herhaalde schenkingen de bezittingen van de tempels enorm vergroot, ten koste van het vermogen van de farao. Eenzelfde familie kon over hoge ambten, priesterschappen en uitgestrekte landerijen in eenzelfde gebied beschikken.

Klassen

Uit de Ramessidentijd kennen wij minder ambtelijke functies, met minder duidelijk afgebakende bevoegdheden. “Ministers” maakten plaats voor lokale machthebbers. Verduistering van overheidsbezit en corruptie gingen tot de mogelijkheden behoren. Dit werd vooral onder aan de sociale ladder gevoeld. Op het eind van de regering van Ramses III bijvoorbeeld gingen de arbeiders van het koningsgraf in staking en bezetten zij tempels omdat zij hun betaling (voedsel, kleding) niet op tijd kregen. Overal was onrust, het paleis had geen macht meer. Dit is de achtergrond van het verval van het Nieuwe Rijk, van het optreden van Achnaton en de burgeroorlogen in de I9de en 20ste dynastie. Daar kwam bij, dat op het eind van de 19de en zeker in de loop van de 20ste dynastie, de farao soms buitenlanders tot naaste medewerkers koos. Bovendien nam hij grote contingenten vreemde huursoldaten in dienst, die een staand leger vormden en een geprivilegieerde positie kregen (Libiërs, Zeevolken).

De goden

De Egyptische godsdienst vertoont duidelijk twee aspecten. Het meest opvallend is de verering van de zonnegod (Re, in de oudste tijd Horus), dus van de mannelijke, strijdbare hemelgod zonder een duidelijke vrouwelijke partner. Maar veel wezenlijker zijn de talrijke vruchtbaarheidsculten, de verering van de Grote Godin (Isis, Hathor) en haar mannelijke partner (Osiris), of van de mannelijke god van de vruchtbaarheid (de ithyphallische Min). De jaarlijkse overstroming van de Nijl, de herleving van de natuur, de oogst, de bevruchting van het land waren van wezenlijk belang. In dit kader paste ook de verering van met vruchtbaarheid en voortplanting nauw in verband gebrachte dieren zoals de stier Apis in Memphis, de stier Mnevis in Heliopolis en de ram van Mendes. Een bijzondere plaats werd ingenomen door de rijksgod, de god van de dynastie en dus in oorsprong de (hoofd)god van de stad of nome vanwaar de dynastie afkomstig was. Onder de eerste dynastieën was het de valk-zonnegod Horus (wel te onderscheiden van Horus, de zoon van Isis en Osiris), maar al vrij spoedig maakte hij plaats voor de zonnegod van Heliopolis, Re (Re-Harachty: Re-Horus van de Horizon).

De ideologie van de farao

De koningsideologie was nauw met deze god verbonden. De farao gold als de zoon van Re en na zijn dood steeg hij op naar de hemel, naar de boot waarin de god langs de hemel voer. De god van Thebe en dus de god van de 11 de dynastie was de krijgsgod Montoe (Mentoehotep), maar hij moest al spoedig zijn leidende rol afstaan aan de universele god Amon. Amon was aanvankelijk een weinig betekenende god, een abstracte god van de lucht en de wind, zijn naam betekende “de Verborgene”. Hij werd geassocieerd met Re (Amon-Re) en met Min (Amon-Re-Min). Amon was de grote god van Thebe en het Nieuwe Rijk van de 18de dynastie. De farao gold als de lijfelijke zoon van Amon. De 19de dynastie, die haar residentie in de Delta koos, haalde andere goden naar voren: Re, Ptah van Memphis en de in de Delta vereerde Seth.

Oorspronkelijk waren alle goden lokale, universele goden die zorgden voor de wereldorde en de vruchtbaarheid. Zij hadden een dierengestalte (totemisme), valk (Horus, Montoe), jakhals (Anoebis), kat (Bastet), koe (Hathor), enz. Later werd hun karakter abstracter en werden zij voorgesteld in de gestalte van een mens met een dierenkop. Sommige goden, vaak abstracte vruchtbaarheid en scheppingsgoden, (Ptah, Osiris, Min) werden van oudsher mensvormig afgebeeld. In de tijd van vereniging van het land kregen de verschillende lokale goden ieder hun specifieke functies (Thot, afgebeeld met de kop van een ibis, kennis en schrift, Anoebis, afgebeeld met de kop van een jakhals, balseming) en werden zij hiërarchisch geordend onder de oppergod. Hele genealogische systemen werden door de priesters uitgewerkt. In Heliopolis rond Re, in Memphis rond de god die de wereld denkt en met zijn woord schept: Ptah. In de loop van het Oude Rijk werden bijna alle belangrijke lokale goden met Re geïdentificeerd (bijv. Amon-Re, Sobek-Re). Volgens de koningsideologie van het Oude Rijk steeg de koning na zijn dood op naar de zonnegod Re aan de hemel. Daar was voor hem het dodenrijk. Hij moest echter bewijzen dat hij zijn plaats waard was (rechtvaardig geweest was), vijandige machten konden hem bedreigen. Daarvoor beschikte hij over magische spreuken, die op het eind van het Oude Rijk in de kamers van de piramiden werden opgeschreven (piramideteksten). Op den duur eigenden ook de machtige lokale groten zich deze teksten en dit vermogen toe. De toegang tot het dodenrijk van de koning werd gedemocratiseerd en in het Middenrijk treft men deze en andere spreuken aan op de sarcofagen (sarcofaagteksten).

Het dodenrijk

Het onheil en de rampen van de eerste tussentijd deden velen wanhopen aan de zin van het aardse bestaan. Zij hoopten op een betere wereld in het hiernamaals. Zij zochten hun heil bij de populaire god van het Dodenrijk Osiris, in wiens rijk in het westen de rechtvaardigen beloond zouden worden (onder invloed van de Re-cultus werd Osiris de “nachtelijke Re”, zijn rijk de nachthemel; aanvankelijk leek tussen beide culten geen verzoening mogelijk; tevens was er de tegenstelling tussen de officiële ideologie: Re, en de volksgodsdienst: Osiris). Osiris was een vruchtbaarheidsgod, maar gold ook als een koning uit de oertijd. Hij was door zijn kwade broer Seth vermoord. Zijn echtgenote, de godin Isis, werd na zijn dood op wonderbaarlijke wijze zwanger van hem en haar zoon Horus versloeg Seth en erfde de troon van zijn vader. De farao was de “Levende Horus” en iedere dode farao werd Osiris.

De omwindseling en de mummificering van het lijk werden verklaard, doordat de god Anoebis dat ook met het aan stukken gesneden lijk van Osiris gedaan zou hebben. De grondgedachte achter de mummificering was dat de menselijke ziel bestond uit verschillende “krachten”, waarvan er één, de ba (het vermogen van de ziel om zich te verplaatsen en verschillende gedaantes aan te nemen), voor zijn voortbestaan van de instandhouding van het dode lichaam afhankelijk was.

De toegang tot het Dodenrijk van Osiris (in het westen, met een onderaardse Nijl, ‘s nachts door de zon bezocht en verder een kopie van het aardse Egypte) stond slechts open voor de rechtvaardigen. Maar ook hier kon ieder, die over de juiste magische spreuken beschikte, zich ongehinderd toegang verschaffen. In het Nieuwe Rijk kreeg iedere dode zo’n spreukenboek mee (Dodenboek); bekend is de scène waar de dode zich rechtvaardigt voor Osiris (hij belijdt zijn onschuld aan een vaste reeks onrechtvaardigheden), terwijl zijn hart gewogen wordt om te zien of hij oprecht is.

Achnaton

In wezen was iedere Egyptische god dus een universele god en was het mogelijk alle goden met elkaar te identificeren. Maar de officiële staatscultus was onpersoonlijk, en zeker aan het eind van de 18de dynastie was er behoefte aan een meer persoonlijke god, een god voor alle mensen, die op een andere wijze dan door magie rechtvaardigen beschermde en het kwaad verdreef. Tegen deze achtergrond moet de hervorming van Achnaton bezien worden. Hij koos een tot dan toe onbelangrijke, met Re verbonden, god: de zonneschijf Aton. Opvallend is het universeler karakter van deze cultus: Aton was voor en diende vereerd te worden door alle mensen, niet Egyptenaren en Egyptenaren. Hij was de god die het leven schonk en het kwaad met zijn licht verdreef. Maar de Aton-godsdienst was kunstmatig, te esthetisch, en van boven opgelegd en verdween snel na de dood van Achnaton.

De godsdienst van het gewone volk

Het gewone volk zocht zijn troost en heil bij plaatselijke kapellen en goden. Terwijl de magie in de hele Egyptische godsdienst al een grote rol speelde, was dat vooral in de volksgodsdienst het geval (beschermende amuletten, bijv. tegen beten van slangen en schorpioenen, formules om iemands liefde te winnen, bezweringen en magische spreuken; brieven om spokende doden tot rust te brengen).

Maàt

Het alles beheersende principe in de Egyptische denkwereld was dat van Maát. Maát wil zeggen: orde, wereldorde, de jaarlijkse overstroming van de Nijl, de jaarlijkse oogst, de farao die de vijanden overwint, de onmacht van de krachten van de chaos, alles wat met de orde in harmonie is, dus ook rechtvaardigheid, de dagelijkse gang van de zon langs de hemel, de dagelijkse zonsopkomst. De farao en het dagelijks ritueel in de tempel werden geacht deze orde te garanderen.

Voor de eeuwigheid, de kunst van het oude Egypte voor de goden, doden en farao’s

Kunst had voor de Egyptenaren niet dezelfde betekenis als voor ons. Voor hen had het bouwen van tempels en piramiden, het maken van beelden en het overdekken van oppervlakten met reliëfs en fresco’s een onmiddellijk praktisch nut, het bestendigen van het huidige tot in de eeuwigheid. Daarom is de Egyptische kunst zeer traditioneel. De stijl, vastgelegd bij het begin van het Oude Rijk veranderde nauwelijks gedurende 3000 jaar. Het moest de werkelijke uitdrukking worden van de eeuwigheid. Net zoals in alle andere aspecten van de Egyptische samenleving speelde dus ook hier de godsdienst de alles overheersende rol.

Het huis der goden

In de tempels zorgden de priesters voor het dagelijks ritueel: de harmonie tussen goden en mensen bestendigen. Vergeten we niet dat de Egyptenaren zeer vroom waren en geloofden dat hun zeer kwetsbare levenswijze aan de boorden van de Nijl totaal afhing van de goede wil der goden. De Egyptische tempels voor de belangrijke goden waren grote, alleenstaande gebouwen, opgezet volgens een traditioneel grondplan. De meest bekende zijn de Amon-tempels van Karnak en Luxor, de Horustempel in Edfu, de Abu Simbel dubbeltempel, de Hatsjepsoet terrassentempel, en de Philae Isistempel.

De voorgevel bestaat uit een tweedelig poortgebouw: de pyloon. Het is gebouwd in de vorm van twee afgeknotte piramiden. De buitengevels zijn bedekt met reliëfs die de goden en de farao- bouwer verheerlijken. Aan de voorgevel is er plaats voor vlaggenmasten en beelden van de farao. Voor de ingang staan twee obelisken: enorme stenen naalden uit één brok graniet; hun piramidevormig topje was met goud bedekt. Zij zijn het symbool van de zonnestralen. De obelisken zijn overdekt met inscripties. Vaak lag vóór het poortgebouw een toegangslaan, met een dubbele rij sfinxen. De eigenlijke tempel bestaat uit verschillende ruimten: een open voorhof, een hoge zuilenzaal en het eigenlijke heiligdom met het beeld van de god en cultusruimten. Het complex wordt vaak vervolledigd met een meer of een waterpartij en een grote muuromwalling. Tempels werden gebouwd in open lucht of uitgehakt in een bergwand (Abu Simbel).

Huizen voor de eeuwigheid

Een graf is een huis voor de eeuwigheid en wordt dus gebouwd uit natuursteen of ín natuursteen. Alle graven voor koningen en edelen zijn gebouwd in de woestijn, ten westen van de Nijl, de plaats waar iedere avond de zon ondergaat. Deze bouwwerken vormen op geniale wijze een eenheid met de omgeving, een eenheid van leven en dood. De vorm van de mastaba’s en piramiden doet denken aan bergen. De zon weerkaatst op de wanden en getuigt van de eenheid tussen de zonnegod en de begraven farao. Tijdens het Oude en het Middenrijk werden voor de farao’s zo’n negentig piramiden gebouwd. De meest bekende zijn die van Djoser, Cheops, Chefren en Mykerinos. In het Nieuwe Rijk zochten de farao’s meer veiligheid. De piramiden en de meeste graven werden immers geplunderd. Daarom zochten de farao’s en edelen uit die tijd een ander systeem om hun eeuwige rust te garanderen, de rotsgraven, uitgehakt in het gebergte. In het Westen van Thebe ligt de Vallei der Koningen met ondermeer het graf van Toetanchamon.

Er staat wat er is

Net als de bouwkunst staat ook de beeldende kunst in dienst van het rijk der goden, doden en farao’s. Het eeuwige leven is een verlenging van het leven van elke dag. Daarom wordt op tempels en vooral in graven het leven afgebeeld op een vanzelfsprekende, onveranderlijke en gestandaardiseerde wijze, alsof het zo eeuwig kon doorgaan. De kunstenaars negeerden perspectief. Ze beeldden de werkelijkheid uit zoals ze is, niet zoals je ze ziet. Belangrijke personen werden bijv. groter afgebeeld dan gewone mensen.

Hoewel ze weinig artistieke vrijheid kregen, leefden de Egyptische kunstenaars zich uit in technische hoogstandjes, werkten ze zeer decoratief en lieten ze zich opmerken door een schitterende thematiek, het dagelijkse leven. Vrijstaande beelden illustreren door hun kolossale afmetingen de macht van de farao’s: de Sfinx van Gizeh en de beelden van Ramses II bijv. Als kleiner vrijstaand beeldhouwwerk zijn veel portretten bewaard, vaak heel aangrijpend en ontroerend uitgewerkt.